Mens En Samenleving en Onderzoek

Denken en oordelen

Er gaat geen week voorbij of de media beweren dat uit wetenschappelijk onderzoek dit of dat is gebleken. Met dat woordje moeten we oppassen. Als regel wijst onderzoek alleen in een bepaalde richting, wat we kunnen afleiden uit het feit dat het herhalen van proefnemingen vaak andere resultaten oplevert.


Onderzoek

Bij veel onderzoek wordt eerst onze toestand in lichamelijk of geestelijk opzicht in kaart gebracht. Daarna volgt een medische, psychologische of agogische ingreep. De invloed daarvan evalueren we door de slachtoffers opnieuw te vragen hoe zij eraan toe zijn. Die opzet lijkt heel redelijk, en grote delen van de geneeskunde en de psychologie hebben er hun bestaan aan te danken of te wijten. Helaas zit de zaak echter ingewikkelder in elkaar. Enkele jaren geleden werd een verschijnsel ontdekt dat antwoordverschuiving wordt genoemd.

Men vroeg mensen die een loterij hadden gewonnen en een groep die door een ongeluk invalide was geworden aan te geven hoe gelukkig of ongelukkig zij op verschillende momenten waren. Dat de rijkaards zich prettiger voelden dan de invaliden is niet verbijsterend. Merkwaardig genoeg waren de invaliden vóór het ongeval echter veel gelukkiger dan de winnaars van de loterij voordat ze de prijs wonnen. Gegeven het feit dat we te maken hebben met grote groepen lijkt hier iets mis te zijn, maar wat?

Wij beoordelen en waarderen het verleden op grond van ons geheugen en die herinneringen worden beïnvloed door onze huidige toestand. Als we er op dit moment anders aan toe zijn, zien we de geschiedenis ook in een ander licht. Een voorbeeld. Men heeft mensen aan een gesprekstraining onderworpen en het effect daarvan gemeten met behulp van de eerder genoemde methode van voor- en nameting. Op een meetschaal moest worden aangegeven in hoeverre men voor en na de oefeningen bereid was naar anderen te luisteren. Als we die cijfers nemen voor wat zij zijn, worden mensen niet zelden slechter van een gesprekstraining.

Dat geluid hebben we vaker gehoord: velen trekken ten strijde tegen psychotherapie of fysiotherapie omdat we daar geen haar beter van zouden worden. We kunnen echter ook achteraf vragen hoe de schaal bij de voormeting ingevuld had moeten worden. Niet zelden blijkt men zichzelf dan heel anders te beoordelen, met als strekking dat de toestand vroeger beroerder was dan toen was aangegeven. Met andere woorden: de oefeningen leiden tot allerlei veranderingen. Daardoor wordt de voormeting alsnog in een ander licht gesteld en verandert het negatieve resultaat van de training soms in een positieve uitkomst.

Het spreekt vanzelf dat dit een belangrijk gegeven is. We hebben een proef gedaan vanuit de vooronderstelling dat de beoordelingsstandaard niet verandert in de loop van het experiment, en nu blijkt dat wèl het geval te zijn. Hoe moet dat probleem opgelost worden? Een manier om de ‘interne standaard’ gelijk te houden is dat een nameting wordt verricht en dat bovendien wordt gevraagd achteraf aan te geven hoe men zich vóór de therapie voelde (retrospectieve voormeting). Als er ook nog een ‘echte’ voor- meting is, kunnen we de mate van antwoordverschuiving vaststellen door de nameting en de voor- meting met de retrospectieve voormeting te vergelijken. Deze truc staat en valt natuurlijk met de vraag of we ons een betrouwbaar beeld van het verleden kunnen vormen. Men zou immers kunnen tegenwerpen dat de retrospectieve voormeting van alles oplevert, behalve de toestand van weleer die we graag willen kennen.

Een ander experiment heeft gesuggereerd dat het met dit herinneringsvermogen niet slecht is gesteld. Men liet mensen de beschrijving van een huis met inboedel lezen. In de ene conditie werd vooraf gezegd dat het verhaal bezien moest worden vanuit het idee dat men het huis zou kopen. In de andere conditie werd medegedeeld dat de betrokkene van plan was in dat huis een kraak te zetten. Na afloop herinnerden de proefpersonen zich verschillende kenmerken van het pand, die samenhingen met de zogenaamde bedoeling. Als de beschrijving nog een keer moest worden gegeven, waarbij de inbrekers werden omgedoopt tot kopers en omgekeerd, kwamen echter allerlei andere details boven water.

Kortom: we onthouden wel degelijk wat we lezen, maar de context waarin de vraag wordt gesteld bepaalt wat we ons herinneren. Deze proefjes lijken dus twee dingen te laten zien: een voormeting achteraf hoeft geen onzin op te leveren, en als we in een andere toestand verkeren, bezien we het verleden inderdaad anders. Er is echter geen reden om voormetingen te laten vervallen. Juist het verschil tussen de zelf beoordeling via een voor- meting en via een retrospectieve voormeting laat zien in hoeverre de ingreep invloed heeft gehad.

Conclusie

Bij wijze van conclusie valt te vrezen dat veel medisch en sociaal wetenschappelijk onderzoek alsnog de papiervernietigingsmachine in kan. Wat echter vooral onze bevreemding moet wekken is dit: het principe van de antwoordverschuiving is al tientallen jaren lang bekend in de waarnemingspsychologie, maar het werd op andere gebieden pas heel laat onderkend.
© 2008 - 2010 Sophocles, gepubliceerd in Mens en Samenleving (Mijn kijk op...) op 04-02-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Sophocles is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Denken en oordelen"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.